Laat lokale sociale raden de kosten opdrijvende krachten op de gemeentelijke zorg tegengaan

Een belangrijke reden voor de decentralisatie van grote delen van de Awbz-zorg was dat gemeenten beter dan het Rijk burgers ‘zelfredzaam’ zouden kunnen maken. Daarom kregen de gemeenten minder geld voor deze zorgtaken dan het Rijk er zelf aan had besteed.

Het parlement liet daarbij marktwerking in de zorg toe: zorginstellingen mogen gemaakte winsten uitkeren aan de eigenaren. In een sector waar de kwaliteit moeilijk waar te nemen en dus ook moeilijk te controleren is, bood dat ruimte aan ‘zorgcowboys’ om de ‘zorgmarkt’ op te komen en op een makkelijke en snelle manier rijk te worden, ten koste van gemeenten.

In een ‘echte’ markt worden tarieven bepaald door vraag en aanbod, zonder tussenkomst van de rechter. In de zorgmarkt kan een verlaging van de prijs ( tarieven) echter tot een gang naar de rechter leiden. Dat ervoeren tien gemeenten in de Haagse regio: jeugdzorginstellingen in die regio waren naar de rechter gestapt om hogere tarieven te eisen. Zij kregen gelijk van de rechter.

Eerder al besliste het parlement dat artsen jongeren mogen doorverwijzen naar de jeugdzorg. Dit gebeurt buiten de gemeenten om, maar wel op kosten van de gemeenten. Gemeenten huren nu extra specialisten in die bij huisartsen langs gaan om er voor te zorgen dat er niet te snel naar dure hulp wordt doorverwezen. Of het helpt, moet nog blijken. Verder heeft het parlement afgelopen voorjaar, tegen de zin van gemeenten, besloten tot de invoering van het zogenaamde Wmo-abonnementstarief. Voor grote delen van de Nederlandse bevolking wordt daardoor zorg bij de gemeente goedkoper. Dat geldt ook voor mensen met een bovenminimaal inkomen. Volgens gemeenten is de aanzuigende werking van deze maatregel nu al merkbaar.

Kortom, de gemeenten zitten klem tussen de centrale overheid die voortdurend knabbelt aan de beleidsvrijheid van de gemeenten, rechters die zich bemoeien met de tarieven die gemeenten mogen berekenen en zorginstellingen die gemeenten in de beklaagdenbank zetten. Deze ontwikkelingen maken in potentie de lokale zorg duurder, terwijl gemeenten het stelsel met een beperkt budget moeten uitvoeren. Dat betekent dan logischerwijs dat gemeenten de toegang tot regelingen van het sociaal domein op den duur zullen moeten beperken.

Het is daarom in het belang van inwoners, die een goed stelsel van lokale sociale regelingen willen handhaven, de kosten opdrijvende krachten op de gemeentelijke zorg tegen te gaan. Dat kan als lokale adviesraden in het sociale domein samen met hun gemeenten de regelingen zodanig selectief maken dat de ‘echte’ zware gevallen te allen tijde worden geholpen. Voorts zouden deze sociale raden zich kunnen opwerpen als bemiddelaar bij conflicten tussen aanbieders en hun gemeente over de gehanteerde tarieven om zo de gemelde juridische ingrepen in de tarieven te voorkomen.

Harrie Verbon
Emeritus hoogleraar openbare financiën, Universiteit van Tilburg en lid van de rekenkamer van Tilburg