Grotere inzet van vrijwilligers leidt tot nieuwe winnaars en verliezers

Het idee dat de toenemende inzet van vrijwilligers in zorg en welzijn vanzelfsprekend ten koste gaat van professionals, klopt niet. Vrijwilligers voeren meer taken uit en er worden steeds hogere eisen aan hen gesteld. Maar dit betekent niet dat professionals overbodig worden. Integendeel, het creëert juist de behoefte aan nieuwe professionals die complexere taken uitvoeren en vrijwilligers coachen.

In ons onderzoek in verpleeghuizen, buurthuizen en speeltuinen zien we drie vormen van professionalisering die tegelijkertijd plaatsvinden.

Opkomst van nieuwe professionals
Vrijwilligerscoördinatoren vormen een relatief nieuwe beroepsgroep. Zij vervullen een belangrijke rol bij het vinden van een juiste match tussen de behoeften van organisaties en de wensen van vrijwilligers. Steeds vaker volgen deze coördinatoren aanvullende opleidingen om bestuurlijke invloed uit te oefenen en het vrijwilligerswerk in hun organisaties te verankeren.

De vrijwilliger als professional-light
Ook de vrijwilligers zelf professionaliseren. In houding en gedrag gaan zij steeds meer op professionals lijken, maar dan in een ‘light’ versie, zonder harde diploma-eisen en strenge beroepsverplichtingen. Wel volgen ze steeds vaker cursussen die hen in staat stellen om bepaalde taken te verrichten en hebben ze vaak een ‘vrijwilligerscontract’ waarin afspraken zijn vastgelegd.

Complexere taken voor gevestigde professionals
Doordat vrijwilligers aandacht en praktische ondersteuning aan cliënten bieden, hebben ‘gevestigde’ professionals meer tijd om complexere taken te verrichten. Sociaal werkers krijgen daardoor vaak een nieuwe rol, van zelf activiteiten organiseren naar het coachen van vrijwilligers. Zorgmedewerkers specialiseren zich verder in multidisciplinaire coördinatie en specialistische zorg.

Verschraling en verlies
De professionalisering van vrijwilligerscoördinatoren en gevestigde beroepsgroepen relativeert grote woorden over verdringing. Toch zijn er ook verliezers.
Vooral het werk van lager opgeleide zorgmedewerkers verschraalt, de ‘leuke dingen’ – wandelen met een bewoner bijvoorbeeld – worden steeds meer overgenomen door vrijwilligers. Omdat deze zorgmedewerkers niet altijd de kennis en vaardigheden hebben voor complexere taken, komt hun positie onder druk te staan.

Vrijwilligers die meer begeleiding nodig hebben verliezen ook vaak. Zij worden door professionals als ‘extra cliënt’ bestempeld en als een last gezien. Er is ook steeds minder plaats voor vrijwilligers die gewoon vrijwilliger willen zijn en geen trek hebben in een uitgebreider takenpakket of het volgen van cursussen.

Nieuwe scheidslijnen
De praktijk levert dus een gemengd beeld op: professionals en vrijwilligers profiteren én hebben last van het grotere beroep op vrijwilligers. In plaats van tegenstellingen tussen groepen, zijn er toenemende tegenstellingen binnen groepen: hoger versus lager opgeleide professionals en geprofessionaliseerde versus kwetsbare vrijwilligers. Deze nieuwe scheidslijnen krijgen tot nu toe beperkte aandacht.

Wat kunnen adviesraden hun gemeente adviseren?

  • Kijk als gemeente of organisatie naar de behoeften van je professionals en vrijwilligers en wees niet principieel tegen of voor meer verantwoordelijkheden voor vrijwilligers.
  • Neem niet te snel afscheid van een vrijwilliger die extra begeleiding vraagt: vrijwilligers die zelf ook kwetsbaar zijn kunnen soms juist veel meerwaarde hebben voor een cliënt.
  • Zorg voor dialoog tussen beleidsmakers, professionals en vrijwilligers, zodat zij zicht hebben op elkaars rollen en belangen.

Marianne van Bochove en Lieke Oldenhof zijn beiden universitair docent bij Erasmus School of Health Policy & Management, aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Zij zijn werkzaam bij de sectie Health Care Governance en betrokken bij de multidisciplinaire onderzoeksgroep Informele zorg en ondersteuning.

Een langere versie van deze bijdrage verscheen eerder op socialevraagstukken.nl.